Literatuur

Hoe ver mag ik gaan in het toevoegen van fictie in een historisch verhaal? Met welk schuldgevoel mag ik in de huid kruipen van karakters die werkelijk hebben bestaan en spelen met hun levens, vriendschappen, gevoelens en gedachten? Ik heb me laten meeslepen door de tijdsgeest en viel van de ene verwondering in de andere.


Belangrijk zijn de onderlinge relaties die alles met elkaar verbinden. Ik heb veel belang gehecht aan de getuigen bij een geboorte of huwelijk om relaties te reconstrueren. Het boek van Blok, de verslaglegging in het Weekblad van het Regt (hierop gewezen door de publicatie van de heer van Maanen in B&G) en de brieven van Thorbecke waren belangrijke bronnen. Om één en ander in dagboekvorm weer te geven heb ik er de Leydse Couranten op nageslagen.

Teerlink stelt mijn vragen en voert gesprekken met de karakters. Hij was getuige op het huwelijk van mijn voorvader in 1815, bij de rechtszitting in 1839 en de aangifte van Caspers kleinzoon in 1853. Bovendien was hij de neef van Wilhelmus. Zijn administratieve afwikkeling van de ramp van 1807 markeerde de werkzame periode van de stadssecretaris. De rechts-vervolging en de periode daarna wordt belicht vanuit de relatie tussen Casper en Teerlink. Antoine is dan nog steeds werkzaam op het stadhuis. Men had die baan ook alleen nog voor hém behouden. Als de gekozen verteller een bijzonder afscheid aangeboden krijgt, met een knipoog naar de gebeurtenissen van 1838, wordt de waarde van deze verteller bevestigd.
Bron: Verantwoording 'De Schatbewaarder', Huib Veldhuijsen 2017. 

Inspiratiebronnen.