'Het ruchtbaar worden der stadsdieverij is eene heilzame maar helaas hoogstnoodige waarschuwing aan ons land. Ik hoop dat de koning er kennis van neme.' THORBECKE, 16 oktober 1838.

Fragment Proloog

Maandag 30 januari 1860
Mijn naam is Jan Laurens. Mijn leven lang was ik klerk op de secretarie van het stadhuis. Wie dacht dat het leven van een klerk saai is, komt bedrogen uit. Letterlijk en figuurlijk. Ik neem u mee naar het Leiden aan het begin van de negentiende eeuw. De ooit zo vermaarde lakenstad was in de loop der jaren verworden tot een omsingelde mengelmoes van elite, wetenschappers, bedelaars en zwervers. De grachten stonken enorm. We vochten er tegen ziekten en armoede. Lakenwevers woonden met grote gezinnen in te kleine huisjes, waar hun kinderen werden ingezet om nog iets van de textielindustrie overeind te houden. We weekten ons los van de Fransen en moesten nog maar afwachten hoe verenigd het nieuwe koningrijk zou blijken. 
Het was in deze jaren dat de muzen van de kunsten en muziek zich moesten hervinden. Daarvoor zijn kleurrijke figuren nodig. Lang heb ik me niet gerealiseerd dat zij zo dicht bij me stonden. Casper, Christiaan en Pierre. Wat miste ik mijn curieuze vrienden.

Meer fragmenten

Fragment Hoofdstuk I Verwoesting
Fragment Hoofdstuk II Wilhelmus
Fragment Hoofdstuk V Vroedschapspenningen
Fragment Hoofdstuk VII Koppeschaar
Fragment Hoofdstuk XI Misdadig Belgiƫ
Fragment Hoofdstuk XV Het schijnt te Blijken
Fragment Hoofdstuk XVI Zaak Seyn
Fragment Hoofdstuk XX Hollands Spoor